|
Op 27 december 1962 organiseerde de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen Afdeling Dialectologie in 's-Hertogenbosch een symposium over Taalgeografie en semantiek met de sprekers Dr. J. Goossens en Dr. Jan van Bakel. De tekst van de toespraken werd twee jaar later gepubliceerd in: J. Goossens en Jan van Bakel, Taalgeografie en Semantiek, Bijdragen en Mededelingen der Dialectencommissie van de KNAW xxviii, Amsterdam. Mijn bijdrage was getiteld: Taalgeografische beschouwingen over een vijftal diernamen. Het ging over koes, kuus, kies en over muk en mutte. Volledigheidshalve is hier de lijst van de aanwezigen. Misschien dat een of andere historiograaf daar belangstelling voor heeft. Achter in genoemde publicatie vindt men een korte samenvatting van de discussie. Hierin over een vraag van Dr. Winand Roukens het volgende:
In plaats van de samenvatting ter plaatse van mijn antwoord geef ik dat hierna volledig en letterlijk weer, zoals ik het heb afgeschreven van een geluidsopname ter zitting. Ja, mijnheer de voorzitter, dat zijn natuurlijk zeer fundamentele vragen die daar gesteld worden. Zij komen, als ik het wel begrijp, op dit centrale probleem neer. Kunnen deze verschillende woorden die zozeer aan elkaar verwant lijken, niet meer synchronisch verklaard worden uit de behoefte aan bepaalde klanken wanneer men lokwoorden nodig heeft en anderzijds, moeten we bij de interpretatie van dit materiaal geen rekening houden met vormen die door de historie kunnen zijn overgeleverd zonder dat we onmiddellijk de stap zetten naar de grondwortels van het indogermaans? Natuurlijk is het onomatopoetische element niet denkbeeldig, verre daarvan, maar wanneer de woorden zo sterk aan elkaar doen denken, de woorden die men over heel Europa aantreft, dan vind ik het in zekere zin een wat al te gemakkelijke veronderstelling om de oorzaak daarvan te zoeken in de klanknabootsing of de klankexpressie. Wanneer men die lokwoorden nagaat, dan vindt men er even vele die met een m beginnen als die met een t of tj beginnen, als die met een scherpe k beginnen en die verder een palatale klinker hebben. De voorkeur gaat uit naar de harde. Het klanknabootsende en het klankexpressieve element zal wel een rol spelen, maar ik geloof dat er toch reden is om de verklaring van de vormen niet in dit vlak te zoeken, omdat het dan niet voor de hand ligt dat overal dezelfde woorden zouden ontstaan. Ik bedoel: wanneer we de woorden aantreffen zoals het onderzoek die heeft geboden en we vinden dus het type k+palatale klinker - of althans zeer duidelijke klinker, geen donkere klinker - plus s in heel Europa, dan kan men natuurlijk zeggen: welnu het is een harde klinker die begint en die zich zeer wel laat gebruiken, ook de s is bruikbaar over lange afstand en het is dus een klankexpressief element dat oorzaak is. Maar waarom dan niet een type tjuuk dat evenzeer bruikbaar is en dat in andere sfeer volop voorkomt. En dat historisch ook tot een type gerekend kan worden en aan een bepaalde gebruikssfeer is voorbehouden. Ik bedoel: de ontwikkeling kan wel voorkeur hebben doen blijken voor woorden van een bepaald type en op die manier selectief hebben gewerkt en - laten we zeggen - de als lokwoorden onbruikbare woorden hebben weggeselecteerd, maar dat is nog iets anders dan dat het klankexpressieve element ook de oorzaak zou zijn. En dan zou ik eigenlijk willen voorstellen: waarom passen we dan de methode die u suggereert niet toe op - laten we zeggen - alle indogermaanse woorden waarmee de moeder wordt aangeduid. Natuurlijk, men kan zeggen: ook dat is een klanknabootsend element en mama en moemoe en dergelijke liggen zeer voor de hand in de kindertaal. Maar bent u het niet met me eens dat het een al te eenvoudige voorstelling van zaken is? Ik bedoel: waar moet je deze interpretatie toepassen en waar niet? Wanneer je in de sfeer van de tafel komt, de namen voor tafel, waarom is er dan niet een-of-andere klankexpressieve oorsprong aan te wijzen en wel bij moeder? Het is zeer de vraag of dat de tafel niet evenzeer een betekenis heeft voor - laten we zeggen - het alledaagse menselijke leven, een betekenis die van gevoelswaarde zou kunnen zijn. Daar hebben we een woord dat we op deze manier niet willen interpreteren. Waarom die andere wel, wanneer de overeenstemming der vormen zozeer suggereert, dat ze een gemeenschappelijke oorsprong moeten hebben? Ik ben het met u eens dat het reconstrueren van wortels en dergelijke dingen die van de vorige eeuw stammen, ik bedoel de voorkeur daarvoor, dat dat een verklaringswijze is die misschien z'n tijd heeft gehad en die wat al te mooi bespiegelend is om de zaken maar tot een groot systeem te brengen. Maar wanneer we een aantal woorden aantreffen op zo uitgebreid gebied en in zozeer verwante sfeer ... Ik mag hier misschien nog herinneren aan het woord moek, dat dus zover het oog ruimtelijk en tijdelijk reikt het varken aanduidt (en hier toevallig ook het kalf. Ik heb u gezegd dat het misschien een gebeurlijkheid uit de veeteeltgeschiedenis is en dat is dus het cultuurhistorische element dat u ook noemt, dat oorzaak kan zijn van deze betekeniswijziging, maar verder betekent moek altijd varken). Dat is toch een feitelijkheid die men niet mag verdoezelen door te zeggen het zal klanknabootsend zijn en dan kunnen we ons best voorstellen dat het voor het varken is gebruikt? Ik stel mij voor dat men evenveel argumenten zou kunnen vinden om het woord te gebruiken in de sfeer van het paard. Evenveel, waarom niet? Dat is een zuiver subjectieve zaak. Ik bedoel: het paard maakt geluiden, waarom zou je dat niet met moe-moe-moe kunnen roepen? Of met moek-moek-moek? Ik bedoel, dat is zo uiterst speculatief, wanneer men zegt: het is een onomatopoetisch woord en daarmee is de verklaring gegeven. Ik geloof dat we rekening moeten houden met werkelijk zeer oude diernamen en dat dus de uitspraak van Hubschmid recht heeft, recht van bestaan, dat het de woorden zijn die als loknamen en als kosenamen voortleven, dat het deze woorden zijn die het langst in stand gehouden worden. Deze woorden zijn nl. volkomen onkwestbaar geworden door, onkwetsbaar door reguliere namen, de objectieve, aanduidende en rubricerende termen. Rubricerende termen zijn er altijd nodig om de duidelijkheid te bevorderen, maar wanneer iets eenmaal lokwoord is geworden, roepnaam, in de subjectieve sfeer is geraakt - en dat laatste wil ik dus onderstrepen in mijn gedachtegang: ik probeer dus deze voorstelling enige ruggegraat te geven tegenover de gedachte die u naar voren brengt - wanneer dit woord een keer in de subjectieve sfeer is geraakt, dan wordt het volkomen onkwetsbaar, dan heeft het geen betekenis meer. Het is een lokwoord dat voortleeft en dat helemaal niets hoeft aan te duiden, dat in geen enkel conflict meer met wat dan ook kan geraken, dat hoogstens op een zeker moment door bepaalde klankontwikkelingen die zich voordoen onbruikbaar zou kunnen worden. Wanneer men in Friesland ziet dat daar het woord kwos voorkomt voor het varken, terwijl de loknamen voor het varken voor een zeer groot gedeelte in Nederland een palataal element hebben, dan zou men kunnen veronderstellen, dat het woord - maar dat is een wat speelse veronderstelling en misschien is dat dan het spelelement dat u ook noemt - men zou kunnen veronderstellen dat het woord dusdanig gepalataliseerd is, dat het bij wijze van spreken uit de mond is gevallen en niets meer is dan een heel hoog trillertje dat geen gebruikswaarde meer heeft. Dan zou men kunnen zeggen: dat woord kwos is een hervatting om uit deze - laten we zeggen - voormond-nood uit te geraken. Dat is weer een nieuw begin achterin en het woord kan zich misschien ook weer naar voren toe gaan ontwikkelen. Dat zijn dus klankelementen, klanktendenzen, klankontwikkelingen die zich aan deze woorden voltrekken en die een woord minder of meer bruikbaar zouden kunnen maken. Maar verder stel ik mij voor, dat die woorden onaangetast en onberoerd blijven voortbestaan. En ik meen dus, hoewel ik natuurlijk inzie, dat uw voorstelling zin van bestaan heeft, zeer zeker, wanneer men constateert dat er klanknabootsende woorden zijn, niet mis te verstane klanknabootsende woorden die dus opnieuw tot diernamen zich gaan ontwikkelen, dat kan men constateren, dat wil ik niet trachten te ontzenuwen, dat is een evidentie, maar dat betekent nog niet, dat wij ze alle zo zouden moeten verklaren. En daarom geloof ik dus dat we mogen rekening houden met oude diernamen, die eenmaal in de subjectieve sfeer aanbeland kunnen voortleven als lokwoorden. Het is eigenlijk geen antwoord, want het is eigenlijk een formulering van wat ik al gezegd heb, maar ... De stellingname van Roukens is in sterke mate representatief voor de "etymologie" die als oorsprong van de woorden graag aan klanknabootsing en klankexpressiviteit denkt. Dat gebruik is bekend tot in de grote etymologische woordenboeken toe. Roukens spreekt afkeurend over een behoefte om aan indogermaanse grondvormen en dito wortels te denken, maar hij heeft geen oog voor de bescheiden etymologie die er zonder tegenbewijs liever van uitgaat dat woorden gebruikt worden op grond van hun gebruik en dat de etymoloog dus moet zoeken naar de wijze waarop de gebruikte woorden samenhangen met andere woorden. Daarvoor kijkt hij naar bronnen en naar fonetische theorieën. En dat heeft dus met reconstructie van wortels heel weinig van doen. Ik heb me daar ook later met enige kracht tegen gekeerd. Maar dat kunt u gemakkelijk controleren aan de hand van de tekst van 1996.
Jan van Bakel |